Dus jij gaat niet meer naar de kerk?


Hoofdstuk 3

En dit is christelijk onderwijs?



Mijn korte gesprek met John in het park leverde eerder frustratie op dan dat het me hielp. Hoewel ik aanvankelijk opgewonden was over de nieuwe vooruitzichten en ik de rest van die dag freewheelend doormaakte, zonder de stress die me daarvoor zo vaak parten had gespeeld, verflauwde de opwinding al snel.
Ik vond het moeilijk me alles wat hij had gezegd voor de geest te halen en ik dacht aan -tig vragen die ik hem had willen stellen. Ik was boos omdat we zo weinig tijd hadden gehad en omdat hij niet bereid was geweest een volgende afspraak met me te maken. Wie was hij eigenlijk? Was het misschien iemand die mij stalkte?
Maar hij gedroeg zich niet als een gek. Ik had me volkomen op m’n gemak gevoeld tijdens m’n gesprek met hem. Het deed me denken aan de gesprekken die ik met m’n vader had gehad voordat hij vijf jaar geleden overleed ten gevolge van een dodelijk auto-ongeluk. Vreemd genoeg voelde ik me tot John op een soortgelijke manier aangetrokken, wie hij ook mocht zijn. Hij wakkerde mijn honger naar Jezus aan. Een honger die in de maanden na mijn ontmoeting met John niet minder was geworden, hoewel mijn pogingen om die honger te stillen hopeloos waren mislukt.
Na die ontmoeting met John zette ik iedere morgen, voordat de rest van het gezin wakker was, 45 minuten apart om de bijbel te lezen en te bidden. Hoewel ik dat iedere dag deed, merkte ik absoluut geen verschil. Dezelfde stress op m’n werk en thuis kwam geleidelijk weer terug. Mijn gebeden leken geen enkele uitwerking te hebben, zelfs niet wat betreft de dingen waarvoor ik het vurigst had gebeden. Ik voelde me ontmoedigd, maar niettemin hield ik vol.
Ik had gehoopt dat ik John nu toch wel weer eens zou ontmoeten, maar dat gebeurde niet. Een paar weken lang viel het me op dat ik overal naar hem uitkeek. Ik kon geen winkel binnengaan, of ergens in een restaurant iets gaan eten of zelfs maar een straat uitrijden zonder dat ik iedere persoon nauwlettend observeerde om te zien of ik hem zag. Af en toe ontdekte ik iemand die op hem leek, in postuur of manier van lopen, en dan sloeg mijn hart even over. Maar als ik dan dichterbij kwam viel mijn hoop keer op keer in duigen. Ik nam zelfs een paar keer een omweg om even in het park te gaan kijken of hij daar toevalig zat.
Kan je je voorstellen hoe verrast ik was toen ik vijf maanden later zijn vertrouwde gezicht zag op een plek waar ik hem het minst had verwachtt – hij stond door het diamantvormige raam in een van de deuren van onze samenkomstzaal te turen. Het was zondagmorgen en binnen een paar minuten zou de aanbiddingsdienst beginnen. Ik liep het middenpad af met mijn beste ‘zonder-mij-kunnen-ze-niet’ gezicht, en had net een vervelend gegons van onze PA af kunnen halen. Ik had niets anders gedaan dan aan wat draden rommelen die onder het podium ingeplugd waren, en dat had het ‘m gedaan.
Ik kon de blikken van de mensen voelen toen ze naar me keken terwijl ik het gangpad afliep, hoewel de voorganger al aan het bidden was. Ik hield mijn hoofd gebogen totdat ik bij mijn rij was aangekomen. Ik wierp even een snelle blik naar het gangpad dat naar de deur leidde.
En daar stond hij.
In die ogen kon je je niet vergissen, en mijn hart stond bijna stil toen ik hem herkende.
Ik liep voorbij mijn lege stoel en slipte door de open rechterhelft van de dubbele deuren de zaal uit. Hij stond ergens naar te kijken met een frons op zijn gezicht en ik herinner me dat ik vond dat hij er op deze plek niet op z’n gemak uitzag. Alsof hij hier niet thuis hoorde. Ik weet niet waarom het zo op mij overkwam. Het was niet vanwege zijn kleren. Hij droeg een poloshirt en spijkerbroek, en dat was voor onze informele Californische diensten heel gewoon. Ook waren er wel meer bij ons die zo’n baard hadden als hij, en lang haar zoals de hippies dat vroeger hadden. Maar op de een of andere manier leek hij hier niet thuis te horen.
“John, wat doe jij hier,” fluisterde ik.
Hij draaide zich langzaam naar me toe, glimlachte om te laten merken dat hij me gezien had, draaide zich weer terug en keek de zaal in. Na enkele ogenblikken deed hij tenslotte zijn mond open en zei:””Ik kwam even kijken of je tijd had om wat te praten.”
“Waar heb je gezeten? Ik heb overal naar je gezocht.” Hij bleef door het raam naar binnen kijken.
“Ik zou graag willen, maar het is nu niet zo’n geschikt moment. Onze grote samenkomst gaat zo beginnen.”
Deze keer draaide hij zich niet om. “Ja, dat zie ik.”
Ik kon horen dat de mensen binnen opstonden toen het aanbiddingsteam met de intro van het volgende lied begon.
“Kan het ook later? Na de dienst?”
“Ik ben op doorreis en ik dacht even langs te komen om te zien hoe het met je is. Heb je een beetje antwoord gekregen op de vragen die je had?”
“Ik weet het niet. Ik doe alles wat ik denk te moeten doen. Mijn tijd met God gaat weer beter dan het ooit is geweest.”
Zijn stilte zei me dat ik zijn vraag niet had beantwoord. Ik dacht dat ik maar net zo lang moest wachten totdat hij reageerde, maar het duurde zo lang dat ik me niet langer kon inhouden. “Nou...eh....hoe zal ik het zeggen? Ik denk van niet. In feite lijkt het erop dat hoe meer ik het probeer hoe leger en gefrustreerder ik me voel. Het lijkt gewoonweg of het alle moeite niet waard is.”
“Mooi zo,” John knikte, nog steeds de zaal inkijkend. “Dan heb je dus iets waardevols geleerd, nietwaar?”
“Wat?” Ik dacht dat hij me niet begrepen had. “Ik zei dat het niet heeft geholpen. Ik heb echt m’n best gedaan en er gebeurt gewoon niets. Hoe kan dat nu goed zijn? Het maakt me alleen maar kwaad.”
“Ik heb je wel begrepen,” antwoordde John terwijl hij zich naar me toe wendde. “Weet je hoe dat komt? Kom eens mee, dan zal ik je wat laten zien.”
Na dat gezegd te hebben draaide hij zich om en wenkte me om hem te volgen en liep naar de hal in de richting van onze onderwijsvleugel. Terwijl hij van me vandaan liep, wierp ik een blik op de zaal. ‘Ik kan het niet maken om nu met hem mee te gaan. Er wordt van me verwacht dat ik daar binnen zit, in de samenkomst. Als de PA nu weer kuren vertoont? En als...?’
Op dat moment liep hij net de hoek om. Op die manier was ik hem al eens eerder kwijtgeraakt, niet? Zonder er verder over na te denken, vloog ik de hal door, hem achterna.
Toen ik de hoek om kwam liep ik bijna een jong gezin ondersteboven dat van de andere kant aan kwam lopen. Ik verontschuldigde me, dat ik zo tegen hen aan was gebotst, maar ze schenen er niet naar te luisteren. Aan hun gezichten kon je zien dat ze zich erg opgelaten voelden.
“De enige keer dat we te laat komen,” zuchtte de vrouw,” en moet je zien wie ons betrapt – een van de voorgangers! Echt waar, we komen nóóit te laat.” Over haar schouder heen kon ik John zien. Hij was gestopt om op me te wachten. Hij leunde tegen de muur en keek naar ons. Hij trok zijn wenkbrauwen op en de grijns op zijn gezicht leek op een speelse manier te zeggen: ”Gesnapt!”
Opeens voelde ik me als een soort ‘kerkpolitie’. Twee zondagen geleden had ik een belangrijke mededeling gedaan over hoe belangrijk het is om op tijd te zijn zodat we andere aanbidders niet storen wanneer we te laat komen. Ik voelde hoe John met zijn oren inzoomde op ons gesprek.
“We hadden onderweg een lekke band,” probeerde de man.

“Je mag blij zijn dat ik vandaag geen ‘te-laat-bonnen’ geef.” Ik lachte en hoopte dat ze zich niet meer zo opgelaten zouden voelen - en ik ook niet. “Ik ben blij dat jullie er zijn.” Ik gaf ze een knuffel en liep met ze naar de zaaldeur. Toen ik die opendeed kwam er een diaken naar ons toe om ze te helpen een plaats te vinden.
Ik rende terug door de hal, de gang in die naar de onderwijsvleugel voerde. Daar stond hij, voor het mededelingenbord van onze zondagschool, terwijl zijn ogen over de 10 cm. grote woorden gingen, die zeiden:”Ik was verheugd toen zij tegen mij zeiden: Laten wij naar het Huis van de Heer gaan!”
“Wat betekent dat,” vroeg hij, terwijl hij met z’n wijsvinger een denkbeeldige regenboog maakte, de letters volgend.
“Dat we ons erop moeten verheugen om in Gods tegenwoordigheid te mogen zijn.” Onwillekeurig ging mijn stem aan het eind omhoog zodat mijn antwoord meer op een vraag leek.
“Goed anwoord. Waarom hier?”
“Omdat dat onze missie-verklaring is voor christelijke onderwijzing,” antwoordde ik, terwijl ik probeerde nonchalant te klinken, maar ik wist dat hij ergens naar toe wilde. Ik wist alleen niet naar wat.
“We proberen hier een atmosfeer te scheppen die de kinderen fijn zullen vinden, zodat ze zullen komen.”
“En ‘het huis van de Heer’ is dan dit gebouw?” Hij wees naar beide einden van de gang.
Oh jee. Dit vond ik niet fijn gaan. Na een korte stilte antwoordde ik:”Natuurlijk weten we allemaal dat er iets veel groters mee wordt bedoeld dat dit.” Ik zocht wanhopig naar een goed antwoord, maar ik had het vervelende gevoel dat ik dat niet in voorraad had.
“Maar wat denken mensen die dit lezen?”
“Misschien denken ze dat het inhoudt dat je naar onze kerk moet komen.”
“En wil je dat ze dat denken?”
Ik dacht dat als ik hierop geen antwoord gaf, we wel door zouden lopen. Maar opnieuw liet hij de stilte langer duren dan me lief was.
“Ik denk van wel...”
“Besef je niet dat het krachtigste aspect van het evangelie is dat ze ons bevrijdt van het idee dat God in wat voor gebouw dan ook woont? Voor mensen die doorkneed waren in de rituelen van tempelaanbidding was dit of geweldig of verschrikkelijk nieuws. De volgelingen van Jezus vonden dit geweldig. Ze hoefden niet langer God te zien als iemand die ergens in de schuilhoeken van de tempel zit, en alleen benaderd kon worden door speciale mensen op bijzondere tijdstippen.”
Ik merkte aan zijn stem dat hij bedroefd was en wachtte in stilte.
“Dus, Jake, als dit gebouw niet het huis van God is, wat is dan wel het huis van God?”
“Wij.” Ik schudde m’n hoofd. Dat bord leek me nu zo stom. Ik vroeg me af of John wist dat het om te beginnen míjn idee was geweest. Maar dat ging ik hem zeker niet vertellen.
”Hoe kan iemand dan ‘naar zichzelf’ gaan?” Hij zuchtte gelaten. “Weet je nog wat Stephanus zei vlak voordat ze stenen opraapten om hem te stenigen? – “De Allerhoogste woont niet in huizen gemaakt door mensenhanden.” – En op dát moment keerden ze zich tegen hem. Het deed hen denken aan Jezus’ bewering, dat Hij de tempel zou vernietigen en die in drie dagen weer op zou bouwen. Mensen kunnen fel reageren als het over hún gebouw gaat, vooral als ze denken dat God er woont.”
Ik gaf geen antwoord. Ik knikte alleen maar.
“En zijn ze verheugd als ze hier komen?”
Het duurde even voordat ik snapte wat hij bedoelde. “We hopen van wel. We doen er in ieder geval ons uiterste best voor.”
“Dat is wel te zien.” Johns ogen gingen over het mededelingenbord waarop talloze aankondigingen te zien waren. Over training seminars, stafbesprekingen, klasseactiviteiten en allerlei verzoeken.
“Een goed programma vraagt heel wat werk.”
“Ongetwijfeld. En ook heel wat schuldgevoelens, om maar niet te spreken over manipulatie.” Ik volgde zijn ogen naar het midden van een poster waar een oproep stond om je aan te melden. Het was een kleuren afbeelding van een tiener in punkkleding, ’s avonds in een straat ergens in de stad. In grote letters stond er te lezen:”Als er maar iemand was geweest die hem over Jezus had onderwezen... Meld je vandaag nog aan.”
“Schuldgevoelens? Manipulatie? Wij zijn er niet op uit dat iemand zich schuldig gaat voelen: we geven alleen maar de feiten.”
Hij schudde z’n hoofd en liep naar de hal. Ik wierp een blik naar het uiteinde van de hal waar de samenkomstzaal was, beseffend dat dát de plek was waar ik nu behoorde te zijn. Maar in plaats daarvan besloot ik snel dat het beter was om bij John te blijven, die ondertussen al een andere gang was ingelopen. Toen ik de hoek omkwam kon ik de kinderen al horen zingen:
“Wij zitten allemaal op onze plaats, met stralende gezichten,
Goeiemorgen allemaal! Goeiemorgen allemaal!”
John gluurde door de half geopende deur. De kleuters zaten in rijen op hun kleine stoeltjes, hun gezicht naar de onderwijzeres gericht. Toen ze klaar waren met zingen krioelden de kinderen door elkaar en kon je ze horen ravotten en lachen. Een jongen met een helderblauw gekleurd vest aan draaide zich om en stak z’n tong uit naar een van de meisjes. Toen hij dat deed kreeg hij ons in de gaten en meteen draaide hij zich om, ging recht zitten en deed of hij goed oplette.
Van waar wij stonden konden we de onderwijzeres niet zien, maar we konden haar luid smekende stem wel horen, rechts van ons.
“We gaan de tekst die we geleerd hebben nog eens opzeggen,”schreeuwde ze. “Nou, allemaal weer rustig gaan zitten anders krijg je geen snoepje als we klaar zijn.”
Klaarblijkelijk hielp deze dreiging, want het lokaal werd stil.
“Wie kent de tekst?” Verschillende handen gingen omhoog. “We gaan het samen doen:
“Ik was blij toen ze tegen me zeiden….’ De staccato stemmen bleven op dezelfde toonhoogte,”Laten we naar het huis van de Heer gaan, Psalm 11: vers 1”. De meeste stemmen waren zachter geworden - uit eerbied - behalve een meisje dat klaarblijkelijk wilde dat iedereen zou horen dat zij het kende.
“En wat betekent het?” De onderwijzeres schreeuwde boven alles uit.
Twee handen gingen omhoog, een daarvan was van hetzelfde meisje dat de tekst zo luid had opgezegd.
“Sherri, vertel het ons eens!”
“Dat is mijn dochter,”fluisterde ik naar John.
Het meisje stond op. “Het betekent dat we blij moeten zijn om naar de kerk te gaan, want God woont daar.”
“Dat is goed,” zei de onderwijzeres en ik voelde me opgelaten.
Ik haalde m’n schouders op toen John me schalks aankeek en glimlachte. Toen vormde zijn lippen twee woorden:”Het werkt!”
De glimlach op z’n gezicht haalde de stekker uit mijn gevoel van opgelatenheid. Hij liet zo duidelijk merken dat hij niet hier was om me beschaamd te laten voelen.
Toen we weer naar de klas keken, gaf de onderwijzeres ´gouden´ sterren aan de kinderen, die ze bij hun naam op een groot bord aan de wand mochten prikken. We gebuikten die o.a. als presentielijst, voor het bijhouden van wie de memory-tekst kenden en of de kinderen hun bijbel hadden meegenomen. Het werd een complete chaos toen de kinderen hun ster kregen. Ze duwden elkaar omver terwijl ze hun naam op de tabel opzochten en hun sterren erop prikten.
Toen iedereen weer ging zitten, liep de onderwijzeres naar de tabel en wees op een rij namen onderaan de tabel.
“Kijk eens naar de sterren die Bobby allemaal heeft. Sherri doet het ook goed, en Liz en Kelly ook. Denk eraan dat je over drie maanden een heel mooie prijs krijgt als je bij de vijf Supersterren hoort. Dus doe je best. Kom elke week hier, neem je bijbel mee en leer je tekst uit je hoofd.”
“Maak een lijstje en lees die twee keer door,” zong John zachtjes. Het duurde even voor ik in de gaten had dat hij een Kerstliedje zong, niet eentje dat wij de kinderen leerden. “Heb je genoeg gezien?” vroeg hij aan me.
“Wat? Oh... ik? Ik kijk gewoon naar jou. Ik weet al wat hier gebeurt.”
“Misschien ook niet.” John draaide weg van het raam en liep wat verder de hal in. Even later stopte hij bij een fonteintje. Met zijn rechterarm zijn linkerarm ondersteunend wreef hij over z’n voorhoofd.
“Jake, zag je die jongen die naast je dochter zat? Met die korte broek en dat licht-gele T-shirt?”
“Niet speciaal.”
“Nou, dat verbaast me niet. Hij viel niet zo erg op. Hij maakte geen lawaai, hij zat daar maar met zijn hoofd omlaag en zijn armen over elkaar.”
“Oh nou weet ik over wie je het hebt. Dat moet Benji geweest zijn.”
“Benji... Heb je gemerkt dat hij geen enkel woord van de tekst kende en dat hij zelfs geen ster kreeg terwijl hij er vandaag wel was?”
“Neen, dat heb ik niet gemerkt.”
“Hoe denk je dat hij zich voelde na dit alles?”
“Ik hoop dat hij het in het vervolg beter zal willen doen: z’n bijbel meenemen, vaker komen en zijn teksten leren. Zo motiveren wij de kinderen. Dat doet iedereen. Het dient een goed doel.”
“Maar hoe zal hij ooit kunnen wedijveren met …Sherri, heette ze? Zijn zijn ouders zo behulpzaam als jullie dat zijn?”
“Hij heeft alleen z’n moeder. Zijn vader ziet hij nooit. Zij moet hard werken en ze houdt heel veel van hem, maar ja, je weet hoe zwaar het voor een ouder alleen kan zijn. Ik kan het me eigenlijk niet eens voorstellen.”
“Denk je dat Benji bemoedigd naar huis gaat vandaag?”
“Dat hopen we.” Ik dacht aan hem, zoals hij daar zat met die starende blik in z’n ogen, die ik al zo vaak had gezien. “Maar ik denk, dat we moeten constateren dat het bij hem nog niet zo gaat, hoewel het bij de meeste kinderen wel werkt. Ons kinderwerk behoort tot de beste van de stad.”
“Wil je zeggen, dat de gevoelens van voldoening die Sherri zal hebben opwegen tegen het gevoel van schuld dat Benji heeft?”
Ik probeerde antwoord te geven op die vraag, maar ik kon niets zinnigs bedenken.
“Ging jij vroeger ook naar de zondagsschool, Jake, toen je jong was?”
“Ja. Mijn ouders hebben ons als het ware in de kerk opgevoed. Ik heb zelfs een keer een bijbel gewonnen omdat ik 153 teksten kon opzeggen in een wedstrijd die over 3 maanden ging.”
John sperde zijn ogen wagenwijd open. “Echt waar? En waarom deed je dat?”
“De winnaar zou een splinternieuwe bijbel krijgen.”
“Ik veronderstel dat jij er misschien niet eens een nodig had?”
Ik was even stil. Ik herinnerde me dat mijn ouders vlak daarvoor een bijbel voor me hadden gekocht. Ik hield m’n hoofd scheef en keek hem schuin aan, verbijsterd, alsof ik wilde zeggen, “Hoe wist je dat?”
“Degenen die meestal winnen, hebben de prijs niet nodig.”
Ik had inderdaad al een bijbel, maar deze was bijzonder voor me: ik had hem gewonnen.
“Honderderd drie en vijftig teksten? Dat is nogal wat.”
“Ik heb altijd makkelijk uit mijn hoofd kunnen leren. Ik lees een tekst gewoon een aantal keren hardop en ik ken hem. Het kostte echt niet veel moeite. De meeste teksten leerde ik ‘s morgens voordat we naar de kerk gingen.”
“Hoeveel teksten had nummer twee uit zijn hoofd geleerd?”
“Ik geloof een stuk of 35.Ik heb ze allemaal weggevaagd.”
“En je vindt dat dit allemaal een gezonde demonstratie van geestelijk vuur is?”
“Nou, nu je het vraagt....’, dacht ik, maar ik hield m’n mond.
“Wat heb je nog meer gewonnen?”
“Toen ik 10 was kreeg ik een gouden speld omdat ik twee jaar lang geen enkele keer de zondagsschool had verzuimd. De voorganger gaf die aan me op een zondagmorgen in de grote samenkomst, in het bijzijn van de hele gemeente. Je had het applaus moeten horen. Ik zal nooit vergeten hoe bijzonder ik me toen voelde.”
“Het gaf je iets om voor te leven, nietwaar?”
“Wat bedoel je?”
“Is dat niet waar je steeds naar op zoek bent geweest: dat gevoel dat je ‘bijzonder‘bent?”
Het was net alsof er een sluier voor m’n ogen werd weggehaald. De meeste beslissingen die ik had genomen waren voortgekomen uit mijn behoefte erkend en geeerd te worden door anderen. Ik hield van goedkeuring en vaak fantaseerde ik erover.
“Om je de waarheid te zeggen, was dat misschien wel het sterkste motief voor me geweest om mijn baan als makelaar in onroerend goed op te geven en een positie in de bediening aan te nemen, waar ik op het podium zou komen te staan en bekend en gewaardeerd zou worden.”
“En dat kwam allemaal voort uit dat ene moment? - Natuurlijk niet. Er waren meer van dergelijke momenten die een verlangen naar boven lieten komen en je voedden, een verlangen dat er diep binnenin je al was.” Hij wees op mijn borst. “Wie houdt er niet van om aardig en gewaardeerd gevonden te worden? Je kan het gemakkelijk gebruiken als je mensen wil motiveren om iets goeds te doen. Een vraag die belangrijker is, is deze: heeft het uit je hoofd leren van al die teksten je geholpen om de Vader beter te leren kennen? Wat vind je makkelijker: streven naar een relatie met de Vader of jagen naar je eigen persoonlijke succes? Dat is de echte test. Volgens mij zou je nu niet zo wanhopig zijn als je echt had geleerd hoe je Vaders liefde kon leren kennen. In plaats daarvan ben je zo druk geweest met het zoeken naar andermans goedkeuring, dat je niet in de gaten hebt gehad dat je de Zijne al hebt.”
“Wat bedoel je? Hoe kan ik zijn goedkeuring hebben als ik nog steeds zo’n moeite heb met allerlei dingen?”
“Omdat je je best doet voor de verkeerde dingen. Jij denkt dat je Vaders goedkeuring kan verdienen. Vader heeft ons aangenomen, niet vanwege iets wat wíj ‘kunnen’ doen, maar door wat Hij voor ons aan het kruis heeft gedaan. Echt, Jake, er is niets wat jij kan doen om ervoor te zorgen dat Hij meer van je gaat houden. En er is niets wat jij kan doen waardoor Hij minder van je zou gaan houden. Hij houdt gewoonweg van je. Het zeker zijn van die liefde zal je veranderen, en niet jouw worstelen om te proberen het te verdienen.”
Ik kreeg tranen in mijn ogen. Hij had iets in m’n binnenste aangeraakt waarvan ik niet eens wist dat het er zat.
“Dus alles wat ik heb gedaan is voor niets geweest?”
“Als het tot doel had om ervoor te zorgen dat Hij meer van je ging houden, ja. Al zou je nooit meer iemand anders counselen of nooit meer lesgeven aan een zondagsschoolklas, Jake, Hij zou nog steeds evenveel van je houden.”
Wat? Ik was sprakeloos. Ik wilde hem best geloven, maar hij had net een vraagteken gezet bij alles waar ik ooit voor had gewerkt. Hoewel het verklaarde waarom zoveel van mijn inspanningen niets hadden opgeleverd, had ik er geen flauw benul van hoe ik ooit zou kunnen ervaren waar hij het net over had gehad. Probeerde ik echt te verdienen wat Hij mij al had gegeven?
Leunend tegen de muur had John me aangekeken, een glimlach op z’n lippen, maar nu liep hij verder, de gang door, en ik volgde hem.
“Weet je nog die morgen dat je die presentie-speld kreeg....? Als die voorganger werkelijk van je had gehouden, weet je wat hij dan zou hebben gezegd? ‘Dames en heren, we willen jullie voorstellen aan een jongeman die zojuist een periode van twee jaar heeft volgemaakt, waarin hij nooit een zondagsschoolklas heeft gemist. We willen voor hem bidden, omdat het inhoudt dat de prioriteiten in het gezin waaruit hij komt zo scheef zijn komen te liggen, dat ze in de afgelopen twee jaar nooit met vakantie hebben kunnen gaan. Het betekent ook dat hij waarschijnlijk hier kwam terwijl hij ziek was en eigenlijk beter thuis had kunnen blijven. Het betekent ook dat het winnen van een gouden speld, zoals deze hier, én uw waardering belangrijker voor hem waren dat uw broeder te zijn. En geen enkele dag van zijn hier aanwezig zijn zal hem dichter bij God hebben gebracht’.”
“Dat zou onbeleefd geweest zijn, als hij dat had gezegd” wierp ik tegen.
“Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt, Jake. Als hij dat had gedaan, dan had jij niet zo hoeven streven naar de waardering van anderen, waardoor jij eerder verder van God vandaan raakte dan dat het je hielp om je hart te openen voor Hem.”
“Je bedoelt dus dat waardering gebruiken om Sherri te belonen niet alleen pijnlijk is voor Benji maar ook schadelijk voor Sherri?”
Hij prikte met z’n wijsvinger in de lucht alsof hij een denkbeeldige knop indrukte.
“Bingo! Weet je dat meer dan 90% van de kinderen die naar de zondagschool gaan de gemeente vaarwel zeggen nadat ze hun ouderlijk huis hebben verlaten?” “Dat heb ik gehoord, ja. We geven de openbare scholen daar de schuld van, omdat ze de kinderen vervreemden van hun geloof.”
John trok zijn wenkbrauwen op in ongeloof. “Echt waar? Dat is makkelijk!.”
“Nou, wij doen tenminste ons deel,” zei ik me verwerend.
“In meer opzichten dan je tot nu toe gemerkt hebt.”
“Dus jij beweert dat alles wat ik verkeerd heb geleerd over God door de zondagsschool komt.” Ik kon de spot en frustratie in mijn eigen stem horen.
“Nou, niet helemaal. Ik zei niet dat het allemaal slecht was.”
“Hoe zou het ook kunnen? Wij leren de kinderen over God en de bijbel en hoe ze goede christenen kunen worden.” Mijn stem stierf langzaam weg toen het tot me door begon te dringen dat ´over God leren en hoe je een goede christen kan worden´, niet hetzelfde is als ´leren wandelen met Hem´.
“Ik wil je helpen in te zien dat er een rode draad loopt door al die prachtige dingen die jullie hier hebben en doen. We praten over een systeem dat gebaseerd is op godsdienstige verplichtingen, waardoor het geheel vervormd wordt. Als je dat niet in de gaten hebt, zal je nooit te weten komen wat het betekent om met Vader te wandelen.”
“Hoe zo?”
“Hij heeft te veel gedaan om je ervan te bevrijden dan dat Hij je ervoor zou willen belonen. Zeker, al het overige wat je in je leven doet kan gebaseerd zijn op hoe en wat je presteert, maar dat geldt niet voor je relatie met Hem. Die is niet gebaseerd op wat wij doen, maar op wat Hij heeft gedaan.”
“Dus ik heb te veel m’n best gedaan, bedoel je dat? Komt het daardoor dat mijn inspanningen niets uitwerken? Moeten wij dan niet ons aandeel leveren?”
Ik keek John aan.
“Niet direct,” zei John, en hij grinnikte een beetje. “Maar je komt in de buurt. Het heeft te maken met het feit dat je een relatie probeert te ‘verdienen’ die je nooit zal kunnen verdienen. Mensen kunnen je roemen omdat je teksten uit je hoofd hebt geleerd of samenkomsten hebt bijgewoond, maar dat zal nooit voldoende zijn om een relatie te ‘verdienen’. Bovendien, je jaagt dat na, niet omdat je God wil kennen, maar omdat je wilt dat de mensen je ‘geestelijk’ zullen vinden. En weet je...dat is dan ook ‘je loon’.”
“Dus dat bedoelde Jezus toen Hij zei dat de Farizeeers dingen deden om door anderen gezien en geeerd te worden, en dat ze hun beloning al hadden ontvangen? Maar daar ben ík niet op uit!.”
“Mooi zo. Zie je niet dat het pad waar jij op loopt je niet brengt waar men zei dat het je zou brengen? Het zal een goede christen van je maken in de ogen van anderen, maar daardoor zal je Hem niet leren kennen.”
John scheen niet speciaal ergens naar toe te lopen. Zonder doel wandelden we langs de klaslokalen en soms kwamen we iemand tegen die zich haastte door de gangen. Ik werd zo in beslag genomen door onze discussie dat ik niet in de gaten had dat men ons vreemd aankeek.- Daar zou ik later voor moeten boeten. “Dus ik kan een geweldige christen lijken te zijn ten opzichte van anderen en toch het ware hart missen!”
“Bevind je je daar dan niet op dit moment? Kijk eens even naar het omvangrijke programma hier. Kijk eens naar deze gebouwen, wat de kinderen allemaal nodig hebben, wat het hele mechanisme met zich meebrengt. Hoe houd je dit allemaal draaiende?”
“In ieder geval heb je mensen nodig, en geld, en een geestelijke atmosfeer, denk ik.”
“En dat is dan ook de ‘beloning’, is het niet? Hoe zorg je ervoor dat je hier een goed gemeentelid bent en blijft?”
“Verzuim de samenkomsten niet, geef je tienden en leef niet in zonde.”
“Dat geldt voor alle zonden?”
“Wat bedoel je?”
“Nou, ik weet niet hoe het hier gesteld is, maar meestal zijn er een paar zonden die absoluut niet getolereerd worden – meestal zijn dat sexuele zonden of het onderwijzen van dingen waar de leiders niet van houden. Maar andere zonden, die net zo vernietigend zijn, worden genegeerd, zoals roddel, arrogantie of het veroordelen van anderen. Soms worden ze zelfs beloond, omdat ze gebruikt kunnen worden om mensen zover te krijgen dat ze zich gedragen zoals wij dat graag willen.”
Zelfs ons begrip van zonde was selectief. Dat zag ik nu. Ik kende mensen die in staat waren het systeem voor hun eigen doeleinden te gebruiken, zelfs al verwondde het anderen. Ik had dat zelf ook gedaan.
“Is het niet interessant dat een groep mensen die regelmatig bij elkaar komt uiteindelijk een soort korpsgeest ontwikkelt, die van alles en nog wat voorschrijft: zelfs over zulke gewone dingen als wat voor kleding je draagt, je taalgebruik, wat voor reacties toegestaan zijn en welke liederen je zingt. Is het hier niet behoorlijk duidelijk wat een goede christen zijn inhoudt? En heeft niet een groot gedeelte daarvan betrekking op ‘geen golven veroorzaken en geen lastige vragen stellen’?”
Hij had gelijk.
“Een van de belangrijkste lessen die Jezus Zijn discipelen gaf, was Gods leven niet langer te zoeken in het kader van rituelen en regels. Hij is niet gekomen om hun religie op te kalefateren, maar om hen een relatie met Vader aan te bieden. Waren al die genezingen op sabbath, en het feit dat ze opgeschreven werden, alleen maar toeval, omdat Hij op de sabbath meer zieken aantrof? Natuurlijk niet! Hij wilde dat Zijn discipelen inzagen dat de regels en tradities van mensen de kracht en het leven van Zijn Vader in de weg stonden. - En het kan ons ook aardig boeien, omdat we met z’n allen doen wat we doen omdat we denken dat we daarmeeGod behagen. Er is geen gevangenis die zo sterk is als religieuze verplichtingen. Ze neemt ons gevangen terwijl we onszelf op de schouder kloppen. - Gisteren liep ik langs een synagoge en de rabbi kwam naar buiten en vroeg of ik even binnen wilde komen om een paar lampen aan te doen voor hem. Iemand had dat eergisteren vergeten te doen en hij kon het niet zelf doen omdat het inmiddels sabbath was geworden.” “Een beetje zot, heh?” zei ik.
“Voor jou misschien, maar zo kunnen sommige van jullie regels en rituelen dat voor hem zijn.”
“Sommige van mijn regels? Ik doe niet zoiets wat met de sabbath te maken heeft.”
“Natuurlijk niet, maar wat zou er gebeuren als je een maand lang op zondag niet in de samenkomst komt – gewoon thuis bleef. Of als je je tiende aan de armen geeft in plaats van het in de collecte te doen of over te maken naar de gemeente?”
“Is dat hetzelfde als dat voorbeeld wat je daarnet gaf?”
John knikte.
“Maar ik doe die dingen niet omdat ik denk dat het de wet is, maar omdat ik vrij ben om het te doen.”
“De rabbi zou hetzelfde hebben gezegd. Maar als je heel eerlijk bent zal je toegeven dat je het doet omdat je gelooft dat je daardoor meer door God aanvaard zult worden en dat Zijn gunst meer op je zal rusten. Als je het niet zou doen, zou je je schuldig voelen.”
Op dat moment begreep ik nog niet wat zijn woorden allemaal inhielden, maar ik wist dat hij gelijk had. Toen onze kerk een paar jaar geleden stopte met het houden van zondagvonddiensten, had ik daar echt moeite mee. Bijna mijn hele leven was ik op zondagavond naar de kerk gegaan en het duurde twee jaar voordat ik thuis kon blijven zonder me schuldig te voelen. Of ik sprak met een paar mensen af om elkaar in de kerk te ontmoeten, zodat ik tenminste het gevoel had dat ik iets ‘geestelijks’ deed.
“Daarom lukt het je niet om je te ontspannen, Jake. Ik wed dat je zelfs op je vrije dag moeite hebt om gewoon niets te doen. Je voelt je schuldig omdat je vindt dat je je tijd aan het ‘verdoen’ bent.”
Terwijl ik zijn woorden liet bezinken hoorden we flarden van een lied dat uit een van de lokalen kwam:
“Oh, kleine oogjes pas op waar je naar kijkt,
Oh, kleine oogjes pas op waar je naar kijkt,
Want de Vader hierboven kijkt naar je in liefde,
Dus, kleine oogjes pas op waar je naar kijkt.”
“Dat is het ergste,” zei John en schudde zijn hoofd met pijn in zijn ogen. “Ik vind dat toch zo’n naar lied.”
Even kon ik niet vatten waar hij het over had. Het was een bekend lied. Ik had het als kind gezongen en ik had het ook aan mijn kinderen geleerd, omdat ze het zo leuk vonden om de gebaren erbij te maken. Bovendien hoopte ik dat God ze zou zien en ervoor zou zorgen dat ze de juiste keuzes zouden maken.
“Beweer je dat er iets mis is met dat lied?”
“Zeg jij het maar...”
“Ik weet het niet. Het gaat over de liefde van de Vader voor ons en Zijn wens om ons te bewaren voor het doen van verkeerde dingen.”
“Maar wat wordt Hij in dat lied?”
“Ik weet niet waar je naar toe wilt...”
“Het gebruikt prachtige woorden zoals ‘Vader’ en ‘liefde’, maar het maakt God tegelijkertijd tot een ‘goddelijke politieagent’, die achter het grote reclamebord langs de snelweg zit met zijn radargeweer in de aanslag. Wie wil er nu dicht bij zo’n Vader komen? Je kan niet van iemand houden voor wie je bang bent. Je kan geen relatie koesteren met iemand die voortdurend je gedrag onder de loep neemt om er zeker van te zijn dat je Zijn vriendschap waard bent. Hoe meer je je richt op je eigen noden en mislukingen, hoe verder weg de Vader voor je zal lijken. Dat doen schuldgevoelens. Ze duwen ons weg van God. Juist op het moment dat we het moeilijk hebben. In plaats van dat we uitgenodigd worden om naar Hem toe te rennen en al onze mislukkingen en vragen aan Hem te geven, zodat we Zijn genade en goedheid kunnen ontvangen. Nu doen we een beroep op God en zijn ‘straf’ om mee te gaan in ons begrip van wat het inhoudt om een goede christen te zijn. - Zie je in dit lied een Vader die begrijpt hoe geneigd we zijn om te zondigen, die weet hoe zwak we zijn, wiens liefde verlangt om ons te ontmoeten, in onze zondigheid, en ons wil veranderen in Zijn kinderen, en dat niet gebaseerd op onze inspanningen, maar op wat Hij gedaan heeft en wil doen?” “Ik denk, dat ik daar nooit over heb nagedacht.”
We waren weer terug in de aankomsthal. John stond stil en leunde tegen de muur. Ik keek hem aan en was even stil, in gedachten.
Toen zei ik: “Geen wonder dat we de mensen steeds in de gaten houden, ze aanmoedigen om de juiste dingen te doen en nauwelijks de tijd nemen om ze te helpen inzien wat het is om een relatie met een Vader te hebben die alles van je weet en toch eindeloos veel van je houdt.”
John knikte. “Daarom is Jezus’ dood zo bedreigend voor degenen die opgegroeid zijn met religieuze plichtplegingen. Als je er schoon genoeg van hebt en je realiseert je dat dit de deur is die je brengt in de relatie waar je hart om schreeuwt, dan is het kruis het beste nieuws dat er is. Als je echter je brood verdient of status hebt gekregen binnen het systeem, dan is het kruis een aanstoot. Nu kunnen we geliefd zijn zonder dat we er iets voor hoeven te doen.” “Maar zal je dit niet als een excuus gaan gebruiken om je eigen zin te doen?”
“Natuurlijk kan dat gebeuren. Maar dat mensen iets misbruiken houdt nog niet in dat het op zich verkeerd is. Als ze voor zichzelf willen leven, maakt het niet uit of ze zich beroepen op een soort valse genade. Maar voor mensen die echt God willen kennen, is Hij de enige die de deur kan openen.”
“En daarom waren de afgelopen maanden zo zonder vrucht?”
“Precies. De relatie met Hem is Zijn gift, vrijelijk gegeven. Door het Kruis kan Hij voor ons doen wat wij nooit zelf kunnen doen. De sleutel vind je niet in hoeveel jij van Hem houdt, maar in hoeveel Hij van jou houdt. Het begint uit en door en in Hem. Als je dat beseft, zal je relatie beginnen te groeien.”
“Dat betekent dat het meeste van wat wij hier aan het doen zijn er ongelofelijk naast zit. Wat zou er gebeuren als we alles stop zouden zetten?”
We waren inmiddels teruggekeerd bij de samenkomstzaal en de tonen van het slotlied vulden de hal toen de deurwachters de deuren open deden zodat de mensen de zaal konden verlaten. Was ik zo’n tijd weggeweest??
“Dat is het punt niet echt,Jake, wel? Ik heb het over je relatie met de Levende God en niet over het ‘bijstellen’ van dit instituut. Zeker, een drastische verandering is nodig. In plaats van een show op te voeren, zouden we bij elkaar kunnen komen om Zijn werk in ons leven te vieren. In plaats van dat we nagaan hoe we kunnen maken dat mensen zich ‘christelijker’ gaan gedragen, kunnen we ze helpen Jezus beter te leren kennen, waardoor Hij hen van binnenuit kan veranderen. Maar het begint niet daar,” zei hij en wees naar de deuren van de samenkomstzaal, “maar hier!” en hij tikte op de plek waar z’n hart zat.
Een van de deurwachters keek rond en zag mij. “Jake, daar ben je! De voorganger vroeg naar je tijdens de dienst. De PA bleef maar raar doen en hij vroeg de hele tijd waar jij was.”
“Oh, neen heh,”kreunde ik. “Ik moet gaan,” zei ik gehaast tegen John, terwijl ik door de open deuren de zaal inrende, vlak voordat de stroom mensen naar buiten zou komen.
Ik weet niet wat John daarna heeft gedaan, maar ik wist wel dat er in mijn leven aardig wat dingen moesten veranderen!
Onder andere ook aan dat mededelingenbord bij de zondagsschool...


Ga naar hoofdstuk 4